Interactie

Deze week heb ik twee presentaties gegeven. In beide gevallen voor onbekend publiek, in beide gevallen sprak ik vroeg op de dag, in beide gevallen duurde de presentatie zo’n drie kwartier.
Toch was er een enorm verschil. In de ene sessie ben ik de hele tijd blijven zenden. In de andere heb ik halverwege aan de mensen gevraagd om op te staan en naar voren te komen. Ik heb PowerPoint uitgezet en heb mensen input gevraagd op geeltjes. Deze hebben we op een flipover geplakt en besproken. Je voelde de energie gaan stromen.
Zo anders dan bij de andere sessie. Daar had ik na het verhaal een ongewis gevoel. Hadden de mensen het wel leuk gevonden?
Vanaf nu ga ik alleen nog maar actieve werkvormen gebruiken als ik moet presenteren.
Misschien hebben de mensen van beide presentaties wel evenveel opgestoken, maar het enthousiasme was bij de tweede sessie zo veel groter. Bovendien kan ik de deelnemers nu behalve mijn eigen slides ook een weergave van hun eigen geeltjes teruggeven. Dit verhoogt vast de betrokkenheid en de impact.

Stickeren voor profielwerkstuk

Toen ik laatst in een vergadering voorstelde te gaan stickeren om alle individuele ideeën te verzamelen, werd dat met scepsis ontvangen. Stickeren was zo ouderwets, dat deden we niet meer.
Nu lees ik inderdaad op Wikipedia dat de Post-its al in de jaren ’60 van de vorige eeuw zijn uitgevonden (per toeval eigenlijk, niets Lean Startup) en dat ze in de jaren ’80 een hit werden. Maar Post-its zijn nog steeds een veel gebruikt hulpmiddel bij workshops, project startups en het agile werken. Wel is het zo dat de digitale Post-it steeds meer zijn intrede doet.

Afgelopen weekend heb ik de kracht van stickeren weer eens ervaren in huiselijke kring. Mijn dochter zat helemaal vast bij het kiezen van een onderwerp voor haar profielwerkstuk wat ze in de laatste klas van de Havo moet maken. Ze had allerlei onderwerpen in haar hoofd, maar wat was nu echt interessant en leuk? Waar wilde ze straks al die tijd in steken? En wat was een onderwerp waarbij ze iets zou kunnen bestuderen (theorie), maar ook iets maken (praktijk)?
Stickeren bood uitkomst.

Samen hebben we in tien minuten alle onderwerpen die leuk zouden kunnen zijn op Post-it’s geschreven. Vervolgens hebben we op het raam een schaal gemaakt van Min naar Plus, van minder leuk naar heel leuk. En toen zijn we gaan stickeren. Steeds stelde ik haar weer de vraag: vind je dit ene onderwerp leuker dan het andere? Er werden heel wat stickers geschoven en uiteindelijk bleven er twee hoofdonderwerpen over aan de Plus-kant waar ze geen keus tussen kon maken: mode en dans. Twee clusters van stickers met allerlei deelvragen over deze onderwerpen. Om tussen mode en dans een keus te maken, hebben we weer een schaal gemaakt van Min naar Plus, maar nu voor de combinatie Theorie-Praktijk. Voor zowel dans als mode had ze een theoretisch gedeelte (voor dans de betekenis van inheemse dansen en voor mode het productieproces van modestoffen) en een praktisch gedeelte (voor dans een choreografie maken en voor mode een kledinglijn maken). Uiteindelijk waren de meeste ‘mode’-stickers aan de Plus-kant geplakt en werd mode het onderwerp. Om precies te zijn: wat is de geschiedenis van Vlisco, hoe is het productie- en verkoopproces binnen dit bedrijf en is het mogelijk om met de Vlisco-stoffen kleding voor jongeren te ontwerpen?